bijdrage Drs. Marjan Doom

Dierengeneeskunde_20130517_fotoBeNN (58)

Onderkaken van de grootste walvis die aanspoelde aan de Belgische kust sinds 1827

De onderkaken van de grootste walvis die aanspoelde aan de Belgische kust sinds 1827.

In de nacht van 22 september 2009 werd een walviskadaver aangetroffen op de bulbsteven van een schip dat de Antwerpse Berendrechtsluis binnenvaarde.

Het kadaver werd met een sleepboot en met behulp van het getij naar het strand van St.-Anneke overgebracht. Het betrof een gewone vinvis (Balaenoptera physalus), een volwassen vrouwelijk dier van 20 meter lang en ongeveer 40 ton zwaar. Het was van 1827 geleden, toen een blauwe vinvis aan de Oostendse kust aanspoelde, dat een kadaver van dergelijke omvang onze contreien had bereikt. Het exemplaar dat toen door de bemanning van een vissersvaartuig was ontdekt en later de “Koninklijke Walvis van Oostende” werd gedoopt, mat 27m.

De gewone vinvis is een baleinwalvis en is op de blauwe vinvis na, het grootste dier op aarde. Deze zoogdieren komen voor in alle oceanen, in diepe wateren ver van de kust. Wereldwijd is hun aantal door toedoen van de mens (voornamelijk door walvisjacht) sterk afgenomen.

De berging van het dier werd gecoördineerd door het BMM (Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee en het Schelde-estuarium), dat instaat voor elke bergingsoperatie van gestrande zeezoogdieren aan onze kust. Het BMM is een federale wetenschappelijke instelling die de ecosystemen van de Noordzee bestudeert en gegevens verzamelt om de toestand van het mariene milieu te evalueren. Ook een team van de Vakgroep Morfologie vertrok vol enthousiasme richting Antwerpen en kon een actieve medewerking verschaffen bij de ontleding en berging van het kadaver. De lijkschouwing ging door onder leiding van dr. Thierry Jauniaux (ULg, Faculté de Médecine Vétérinaire, Dépt. de Morphologie et Pathologie). Eerst werden enkele stalen genomen, onder meer voor toxicologisch onderzoek en de aanvulling van een genetische databank van zeezoogdieren. Tijdens de autopsie vond men uitgebreide bloeduitstortingen, gebroken ribben en een abnormale verplaatsing van darmlussen naar de borstholte. Deze letsels wezen op een zware klap, zodat de dood vermoedelijk te wijten was aan een aanvaring door een schip. Snel bleek dat de afmetingen van deze mastodont de capaciteit van de beschikbare transport- en verwerkingsmiddelen ver overstegen, zodat de recuperatie van het volledige skelet voor het Museum Morfologie niet mogelijk was. Het was al een huzarenstuk om met een enorme hijskraan en heel wat fysieke kracht het kolossale kadaver in verschillende stukken over te takelen naar lekvrije transportcontainers. Enkel de onderkaak (mandibulae) van het dier kon gevrijwaard worden van vernietiging en werd overgebracht naar de Faculteit.

De conservatie van skeletten en botmateriaal verloopt volgens procedés waarin de Vakgroep Morfologie zich heeft gespecialiseerd. De studie van het skelet is voor elke student diergeneeskunde immers de introductie in de zoölogische anatomie. De eerste stap van dergelijk procedé is het manueel uitbenen van het bot. Het resterende weefsel in en rond het bot wordt vervolgens verteerd met enzymen die instaan voor de afbraak van vetten en eiwitten. Dit maceratieproces dient te gebeuren bij een geschikte temperatuur. Enzymen zijn immers inactief bij te lage temperaturen en worden vernietigd bij te hoge. Voor kleine preparaten beschikt de vakgroep over installaties die hiertoe de ideale temperatuur (50-60°C) kunnen handhaven. De 5 meter lange en 3 meter brede onderkaak van de walvis overtrof echter de afmetingen van deze verwerkingsinstallaties. De onderkaak werd daarom “koud geprepareerd”. Het bot werd eerst met water en zepen onder hoge druk gereinigd. Vervolgens werd het ondergedompeld in een bad met wasmiddel rijk aan enzymen. In de zomer werd het bad buiten in de volle zon geplaatst en ’s winters in een verwarmde binnenplaats (30-32°C).

Om een degelijke bewaring te verzekeren, moet een skelet vervolgens ontvet worden. Vetten verzuren namelijk na verloop van tijd en deze zuren kunnen beenweefsel aantasten. Ontvetting gebeurt door middel van het zeer toxische methyleenchloride (CH2Cl2), een vetoplosmiddel. De botten worden samen met vloeibare methyleenchloride in een condensatieketel geplaatst. Door een verwarmingselement onderaan in de ketel verdampt de vloeistof, om bovenin de ketel, ter hoogte van een koelplaat, te condenseren tot druppeltjes. Uiteindelijk vallen de druppels door hun zwaarte naar beneden en beregenen op die manier het bot. Op hun weg doorheen het bot wordt het opgeloste vet als het ware meegetrokken. De afmetingen van de onderkaak speelden de medewerkers van het Museum Morfologie echter opnieuw parten, gezien de aanwezige ontvettingsketel weliswaar groot is, maar toch veel te klein voor deze enorme walvisbeenderen. Als alternatief werden de botten daarom herhaaldelijk oppervlakkig chemisch ontvet, waarbij het vet dat voorafgaand onder invloed van de zwaartekracht en capillariteit naar buiten was getreden, telkens werd verwijderd.

Als laatste stap werd het bot behandeld met zuurstofwater (H2O2) om het zo wit en zuiver mogelijk te maken en gedroogd. Op 7 januari 2011 kreeg dit stuk wetenschappelijk erfgoed ten slotte haar ereplaats in de trappenhal.

.

Drs. Marjan Doom, DVM, geamendeerd door de decaan Prof. Frank Gasthuys, Faculteit Diergeneeskunde

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s